Gitte is verkouden. Haar neusje loopt, haar hoest klinkt als een oude sjag-rokende vrachtwagenchauffeur, en haar oogjes smeken: “Red me, wereld!” Voor mij betekent dat één ding: alarmfase 1 in mijn brein. Want hoewel het gewoon een snotneus is, voelt het alsof er elk moment een baby-snotneus-apocalyps kan uitbreken.
Psychologen hebben hier een naam voor: ouderlijke hypervigilantie. Ons brein wordt letterlijk op scherp gezet bij het minste teken van ongemak bij ons kind. Eeuwenlang was dat logisch: een ziek kind betekende gevaar voor ‘de rest van de kudde’. Tegenwoordig? Meestal gewoon een paar druppels zoutoplossing en een extra knuffel. Maar ons brein denkt: drama, actie, nu!
En dus vragen we wel drie keer per dag aan ChatGPT wat we moeten doen. Met steeds hetzelfde antwoord; rustig aan, niks aan de hand. Alsof we het antwoordapparaat van de huisarts op repeat hebben staan.
Maar hier is het mooie: dit overbezorgdheidsinstinct is eigenlijk een vorm van liefde. Dezelfde hersengebieden die stress veroorzaken, activeren ook empathie en oxytocine. In andere woorden: paniek én knuffelmodus tegelijk. Het is alsof je brein een dubbele espresso drinkt terwijl je een teddybeer vasthoudt.
Wat helpt? Soms is het voldoende om een stapje terug te doen. Want eerlijk: die neusjes worden vanzelf weer droog, en wij blijven met een stukje verhoogde ouderlijke stress en een flinke dosis liefde achter.
Een babyverkoudheid is dus niet zomaar een medische kwestie – het is een psychologische spiegel. Het laat zien hoe sterk ons zorginstinct is, hoe snel we panikeren, en hoe liefde ons brein én hart tegelijk laat werken. En terwijl ik daar zit, knuffelend met Gitte en een zakdoek in de aanslag, realiseer ik me dat elke minuut van overbezorgdheid een bewijs is van iets prachtigs: dat ik voel, leef, en intens liefheb. Zelfs om een klein snotterend neusje.
