Deze keer in Psyblog zoomen we in op een psychologische term die al heel lang bestaat In de podcast Op zoek naar Marlotte hoor je het verhaal van een slachtoffer van een verzonnen verhaal. Een leugen die zó groot is en zó gedetailleerd, dat het zo een filmscenario had kunnen zijn. Maar hoe kan iemand zo’n leugen bedenken? En het dan ook nog volhouden? Waarom? En wat zit daar achter? We doken in het fenomeen dat pseudologia fantastica heet.
De term pseudologia fantastica werd al eind 19e eeuw geïntroduceerd door de Duitse psychiater Anton Delbrück (1891). Hij beschreef patiënten die chronisch en compulsief leugens vertelden, vaak in de vorm van fantasierijke, gedetailleerde verhalen die ergens tussen waarheid en fictie in lagen.
Later definieerden Healy en Healy (1915) pseudologia fantastica als een patroon van:
-
herhaald, langdurig liegen;
-
verhalen die disproportioneel uitgebreid of dramatisch zijn;
-
leugens die niet primair gericht zijn op materieel gewin;
-
en een opvallend gebrek aan duidelijke externe motivatie.
Belangrijk is dat de verteller soms zelf deels lijkt te geloven wat hij of zij vertelt. Een aspect dat pseudologia fantastica onderscheidt van bewuste manipulatie.
Hoe verschilt pseudologia fantastica van ‘normaal’ liegen?
Psychologisch gezien verschilt pseudologia fantastica op meerdere punten van alledaags liegen:
| Kenmerk | Alledaags liegen | Pseudologia fantastica |
|---|---|---|
| Motivatie | Vermijden van straf, sociaal gemak | Vaak onduidelijk of intern |
| Inhoud | Beperkt, plausibel | Fantasierijk, uitgebreid |
| Frequentie | Situationeel | Chronisch patroon |
| Inzicht | “Ik lieg” | Soms ambivalent of verminderd |
| Functioneel nut | Duidelijk | Vaak afwezig of zelfs schadelijk |
Onderzoek suggereert dat pseudologisch liegen maladaptief is: het levert de persoon op lange termijn eerder problemen op dan voordelen (King & Ford, 1988).
Psychologische verklaringen: waarom ontstaat dit gedrag?
1. Identiteit en zelfbeeld
Een invloedrijke verklaring is dat pseudologia fantastica samenhangt met problemen in identiteitsvorming. Fantasierijke leugens kunnen dienen om een aantrekkelijker, succesvoller of moreel beter zelfbeeld te construeren (King & Ford, 1988).
Voor sommige mensen fungeren de verhalen als een manier om innerlijke gevoelens van minderwaardigheid, leegte of schaamte te compenseren.
2. Emotieregulatie en coping
Pathologisch liegen kan ook worden gezien als een emotieregulatiestrategie. Door verhalen te creëren waarin men bewondering, sympathie of controle ervaart, kan tijdelijke verlichting ontstaan van negatieve emoties zoals angst of onzekerheid (Dike, Baranoski & Griffith, 2005).
Deze verlichting is kortdurend, waardoor het gedrag zichzelf in stand houdt.
3. Relatie met persoonlijkheidsstoornissen
Pseudologia fantastica komt relatief vaak voor bij mensen met:
-
borderline persoonlijkheidsstoornis,
-
narcistische persoonlijkheidsstoornis,
-
antisociale persoonlijkheidsstoornis
(Dike et al., 2005).
Belangrijk: pseudologia fantastica is niet synoniem met deze stoornissen. Het kan voorkomen binnen verschillende diagnostische kaders, en soms ook zonder formele diagnose.
4. Neuropsychologische factoren
Er zijn aanwijzingen dat sommige mensen met pathologisch lieggedrag beperkingen hebben in executieve functies, zoals impulscontrole en realiteitstoetsing. Empirisch bewijs is hier nog beperkt, maar neurocognitieve kwetsbaarheden worden steeds vaker genoemd als risicofactor (Yang et al., 2005).
Is pseudologia fantastica een diagnose?
Nee. Pseudologia fantastica staat niet in de DSM-5-TR. Het wordt beschouwd als een beschrijvende klinische term, geen officiële stoornis.
Toch blijft het concept relevant omdat het een specifiek gedragspatroon beschrijft dat niet volledig wordt verklaard door bestaande DSM-categorieën (Dike et al., 2005). In de klinische praktijk wordt het vaak gebruikt als aanvullende term.
Behandeling en klinische implicaties
Er bestaat geen specifieke evidence-based behandeling exclusief voor pseudologia fantastica. In de praktijk richt behandeling zich op:
-
onderliggende persoonlijkheidsproblematiek;
-
emotieregulatie;
-
zelfbeeld en identiteitsontwikkeling;
-
therapeutische alliantie (vaak kwetsbaar door wantrouwen).
Cognitieve gedragstherapie en psychodynamische benaderingen worden beide toegepast, afhankelijk van de onderliggende problematiek (King & Ford, 1988; Dike et al., 2005).
Conclusie
Pseudologia fantastica is geen simpel ‘liegen’, maar een complex psychologisch patroon waarin identiteit, emotie en realiteit vervlochten raken. Hoewel het geen officiële diagnose is, wordt het al meer dan een eeuw serieus genomen in de klinische psychologie. Wetenschappelijk onderzoek wijst erop dat het gedrag vaak voortkomt uit diepe psychologische behoeften, niet uit bewuste manipulatie alleen. Begrip — en niet alleen veroordeling — is daarom essentieel, zowel in klinische context als daarbuiten.
Bronnen:
Delbrück, A. (1891). Die pathologische Lüge und die psychisch abnormen Schwindler. Stuttgart: Enke.
Dike, C. C., Baranoski, M., & Griffith, E. E. H. (2005). Pathological lying revisited. Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law, 33(3), 342–349.
Healy, W., & Healy, M. T. (1915). Pathological lying, accusation, and swindling: A study in forensic psychology. Boston: Little, Brown, and Company.
King, B. H., & Ford, C. V. (1988). Pseudologia fantastica. Acta Psychiatrica Scandinavica, 77(1), 1–6.
Yang, Y., Raine, A., Lencz, T., Bihrle, S., LaCasse, L., & Colletti, P. (2005). Prefrontal white matter in pathological liars. British Journal of Psychiatry, 187(4), 320–325.
*Deze blog is mede tot stand gekomen door AI (het onderwerp en een van de deelthema’s)
