De recente uitzending van Nieuwsuur over de omstandigheden in Nederlandse jeugdgevangenissen maakte veel los. Jongeren krijgen door aanhoudende personeelstekorten te weinig onderwijs, behandeling en activiteiten en verblijven op sommige dagen tot 22 uur op hun kamer. Zelfs de tijdelijk verlaagde norm voor gezamenlijke activiteiten wordt niet altijd gehaald. De Kinderombudsman spreekt over ernstige schendingen van kinderrechten en waarschuwt dat jongeren zo onvoldoende worden voorbereid op hun terugkeer in de samenleving.

Voor mij kwam die uitzending extra dichtbij, omdat een oud-leerling en zijn vader daarin hun verhaal vertelden. Ik vind het bijzonder moedig dat zij dat hebben gedaan. Niet alleen omdat zij hun eigen kwetsbaarheid zichtbaar maken, maar ook omdat zij een stem geven aan jongeren en gezinnen die al jarenlang roepen dat het systeem niet werkt.

De uitzending ging over jeugdgevangenissen, maar het probleem begint daar niet. Het begint veel eerder. Bij kinderen die opgroeien met trauma, geweld, verwaarlozing, psychische problemen, instabiliteit of verlies. Bij jongeren die ontsporen nadat zij zelf iets ernstigs hebben meegemaakt. Bij gewone, beïnvloedbare jongens die in contact komen met oudere jongens, worden gemanipuleerd, bedreigd of onder druk gezet en op een gegeven moment niet meer weten hoe zij veilig terug kunnen. Het probleem begint bij ouders die alarm slaan en op wachtlijsten stuiten. Bij scholen die problemen signaleren, maar onvoldoende mogelijkheden hebben om passende hulp af te dwingen. Bij hulpverleners die hun best doen binnen een versnipperd systeem waarin iedere organisatie slechts verantwoordelijk is voor een klein deel. Het begint bij een maatschappij die pas werkelijk urgentie voelt wanneer een jongere een gevaar is geworden, maar opvallend traag reageert wanneer diezelfde jongere nog vooral zelf gevaar loopt.

Jongeren komen niet zonder verhaal binnen

Aan een strafbaar feit gaat een leven vooraf. Sommige jongeren dragen op jonge leeftijd al een hoeveelheid trauma mee die veel volwassenen nauwelijks zouden kunnen dragen. Gedrag dat aan de buitenkant hard, agressief of gevoelloos lijkt, kan zijn ontstaan uit jarenlang overleven. In het geval van mijn oud-leerling kende ik niet alleen het gedrag waarvoor hij uiteindelijk werd gestraft. Ik kende ook de kwetsbare jongen daarachter. Ik wist hoeveel hij had meegemaakt en wat zijn verhaal was waardoor hij tot zijn delict was gekomen. Dat maakt zijn delict niet ongedaan. Het neemt de gevolgen voor slachtoffers niet weg en betekent niet dat hij geen verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Begrijpen is niet hetzelfde als goedpraten. Maar wie herhaling wil voorkomen, moet wel bereid zijn te kijken naar wat er vóór het delict gebeurde.

Een jongere kan namelijk tegelijkertijd slachtoffer en dader zijn. Die twee werkelijkheden sluiten elkaar niet uit. Iemand kan anderen ernstig hebben beschadigd en zelf jarenlang zijn beschadigd. Slachtoffers verdienen erkenning en bescherming, maar wanneer wij nieuwe slachtoffers willen voorkomen, moeten wij ook begrijpen waardoor een dader is gevormd. Straf kan een grens trekken. Straf kan de samenleving tijdelijk beschermen. Maar straf behandelt geen trauma, herstelt geen gevoel van veiligheid en leert een jongere niet automatisch omgaan met angst, agressie, groepsdruk of manipulatie.

Soms komt hulp pas nadat het misgaat

Niet iedere jongere kiest bewust voor een crimineel leven. Er zijn ook gewone jongens die op het verkeerde moment bij de verkeerde mensen terechtkomen. Jongeren willen erbij horen, zoeken erkenning en overzien de gevolgen van hun keuzes niet altijd. Wanneer oudere jongens meer status, ervaring en overwicht hebben, kan aansluiting snel veranderen in afhankelijkheid, dreiging en angst. Peer pressure is niet alleen iemand die zegt: “Doe mee.” Het kan betekenen dat een jongen wordt gedwongen iets te vervoeren, zijn bankrekening beschikbaar te stellen of aanwezig te zijn bij iets waar hij niet bij betrokken wil zijn. Het kan betekenen dat hij bang is voor wat er gebeurt wanneer hij weigert. Voor zichzelf, voor zijn familie of voor mensen van wie hij houdt. Daarnaast zijn er jongeren die na één ernstige gebeurtenis volledig ontregelen.

Een jongen die daarvoor naar school ging en plannen had, kan na geweld, verlies of bedreiging veranderen in iemand die voortdurend op zijn hoede is. Trauma ziet er bij jongeren niet altijd uit als verdriet. Het kan eruitzien als agressie, wapendracht, schooluitval, middelengebruik, roekeloosheid en diep wantrouwen. Juist dan is snelle en vasthoudende hulp nodig. Geen verwijzing, geen intake over drie maanden en geen plek op een wachtlijst, maar echte hulp. Iemand die ziet dat een jongere verandert en begrijpt wat daaronder ligt.

Wanneer die hulp te laat komt, kan angst omslaan in agressie en kan verdriet verharden tot woede. Gevaarlijk gedrag kan dan in de beleving van een jongere een manier worden om zichzelf te beschermen. Pas wanneer die jongere zelf iets ernstigs doet, ontstaat er ineens een dossier, een beveiligde plek en een netwerk van professionals. Dan is er opeens urgentie.

De pijnlijke vraag is waar die urgentie was toen hij zelf iets ernstigs meemaakte. Ik zeg niet dat ik met zekerheid weet dat mijn oud-leerling zijn delict niet zou hebben gepleegd wanneer eerder passende hulp was geboden. Dat kan niemand bewijzen. Ik zeg wel dat de kans daarop naar mijn overtuiging aanzienlijk kleiner was geweest. Wie eerder ingrijpt bij trauma, angst en ontregeling, verkleint de kans dat een jongere uiteindelijk zelf dader wordt. Dat is geen vergoelijking. Dat is preventie.

De gevangenis krijgt de rekening van een falende keten

Wanneer jongeren uiteindelijk in een justitiële jeugdinrichting terechtkomen, krijgt die instelling vaak de rekening gepresenteerd van alles wat daarvoor niet is gelukt. Van jeugdzorg die te laat kwam, geestelijke gezondheidszorg met wachtlijsten, schooluitval, gebroken gezinnen en onvoldoende bescherming tegen verkeerde netwerken. Vervolgens verwachten wij dat de jeugdgevangenis alles oplost. De jongere moet worden beveiligd, behandeld, opgevoed, onderwezen, gestabiliseerd en voorbereid op terugkeer. Dat is een enorme opdracht.

De uitzending van Nieuwsuur laat zien dat instellingen die opdracht door personeelstekorten niet volledig kunnen uitvoeren. Wanneer lessen, activiteiten en behandeling uitvallen en jongeren bijna de hele dag op hun kamer zitten, gaat het niet alleen over een gemiste urennorm. Het gaat over stilstand. Opsluiten is geen behandeling. Afzondering is geen toekomstplan. Een jongere blijft zich achter een gesloten deur ontwikkelen. Hij leert daar nog steeds. De vraag is wat. Hij kan leren omgaan met emoties, verantwoordelijkheid nemen en opnieuw vertrouwen krijgen. Maar hij kan ook leren dat hardheid nodig is om veilig te blijven, dat volwassenen onbetrouwbaar zijn en dat macht belangrijker is dan kwetsbaarheid. Binnen groepen ontstaan hiërarchieën, leiders en volgers. Jongeren nemen gedrag, taal, contacten en overlevingsstrategieën van elkaar over.

Voor een beïnvloedbare jongen die juist door groepsdruk in de problemen is geraakt, kan dat extra schadelijk zijn. Voor een andere jongere worden gevoelens en emoties binnen een harde groepsdynamiek iets om in te slikken waardoor hij verhardt. Het mechanisme waardoor een jongere binnenkwam, kan zich binnen opnieuw herhalen. Juist daarom zijn onderwijs, therapie en een stabiele leefgroep geen luxe. Zij zijn het tegenwicht tegen verharding.

Een PIJ-maatregel is niet iedere dag therapie

Bij een PIJ-maatregel, vaak jeugd-tbs genoemd, bestaat buiten de instelling soms het beeld dat een jongere dagelijks intensieve therapie krijgt. Dat is niet zo. Een jongere heeft niet iedere dag een individueel gesprek met een psycholoog of therapeut. Behandeling vindt ook plaats op de leefgroep, in het onderwijs en in het dagelijkse contact met pedagogisch medewerkers. Een jongere moet oefenen met frustratie, vertrouwen, verantwoordelijkheid en emotieregulatie.

Dat betekent dat uitgevallen lessen en groepsmomenten ook gemiste behandelmomenten zijn. Veel medewerkers doen hun uiterste best. Groepsleiders, docenten, gedragswetenschappers en behandelaren proberen binnen moeilijke omstandigheden jongeren verder te helpen. Maar zij kunnen geen stabiel behandelklimaat creëren zonder voldoende tijd, personeel en middelen. Men doet zijn best. Maar goede bedoelingen zijn geen personeelsbeleid.

Wanneer de maatschappij van een PIJ-maatregel verwacht dat een jongere werkelijk verandert, moet zij bereid zijn daarin te investeren. Behandeling mag niet alleen op papier het doel zijn. Zij moet in de praktijk beschikbaar zijn.

Personeelstekorten hebben ook risico’s gecreëerd

Door jarenlange personeelstekorten zijn justitiële jeugdinrichtingen sterk afhankelijk geweest van zzp’ers en andere tijdelijke krachten. Onder hen waren veel deskundige en betrokken mensen die noodzakelijke gaten vulden. Maar waar grote schaarste ontstaat, komen ook mensen op af die vooral geld zien. Binnen een grote groep goede professionals zaten ook krachten die niet over de juiste houding, deskundigheid of integriteit beschikten. Wanneer hun gedrag werd ontdekt, werden zij uit de instelling verwijderd. Dat ingrijpen was terecht, maar tegen die tijd kon het kwaad al zijn geschied. Een jongere kon al beschadigd zijn, een groep kon al onveiliger zijn geworden en het vertrouwen in volwassenen kon opnieuw zijn aangetast.

Bovendien voorkomt ontslag bij één organisatie niet automatisch dat iemand elders in de jeugdzorg verdergaat. Voor een aantal zorgberoepen bestaat het BIG-register en voor geregistreerde jeugdprofessionals het SKJ. Daar kunnen schorsing en doorhaling plaatsvinden. Maar niet iedere groepswerker, begeleider of tijdelijke kracht valt onder zo’n register. Er bestaat dus geen volledig, centraal overzicht waarin bij iedere medewerker zichtbaar is dat diegene elders wegens ernstig disfunctioneren is weggestuurd. Organisaties hebben een vergewisplicht en moeten diploma’s, VOG’s, registraties en referenties controleren.

Toch is dat systeem niet waterdicht. Een VOG zegt niets over gedrag dat nooit strafrechtelijk is onderzocht. Een referentiecheck werkt alleen wanneer informatie wordt gedeeld. Een register helpt alleen wanneer iemand registratieplichtig is en er een formele procedure is geweest. Daardoor kan een draaideureffect ontstaan: de ene instelling grijpt in, terwijl een volgende organisatie niet automatisch weet wat er eerder is gebeurd. Dat is onacceptabel bij jongeren die niet zelf kunnen kiezen wie hen begeleidt. Zij kunnen een onveilige professional niet simpelweg vermijden. Zij zijn afhankelijk van de mensen die de instelling toelaat.

De deur dichtdoen is politiek makkelijker

Het meest verontrustende is dat deze problemen al jaren bekend zijn. Inspecties waarschuwen, professionals trekken aan de bel, ouders vertellen hun verhalen en jongeren zeggen zelf wat zij nodig hebben. Toch blijft structurele verandering uit. Misschien komt dat doordat jongeren in detentie eerst als dader worden gezien en pas daarna als kind. Het lijkt makkelijker te accepteren dat zij onderwijs, buitenlucht of behandeling missen, omdat zij “daar niet voor niets zitten”.

Maar vrijheidsbeneming is de straf. Het ontnemen van ontwikkeling en toekomstperspectief hoort daar niet bovenop te komen. De gesloten deur lijkt maatschappelijk en politiek soms de makkelijkste oplossing. De jongere is tijdelijk uit beeld, de maatschappij voelt zich veiliger en het probleem lijkt beheerst. Maar een gesloten deur lost niets op. Zij stelt het probleem uit. Eeuwig opsluiten kan niet. Vrijwel iedere jongere komt terug.

Wanneer het doel werkelijk is de maatschappij te beschermen, dan is opsluiten de pauze en behandelen de toekomst. Maar dan moet de maatschappij wel bereid zijn te investeren. In preventie, onderwijs, jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg, stabiele teams, behandeling en een veilige terugkeer. Bescherming begint niet bij de gevangenispoort. Zij begint bij het kind dat afglijdt, de ouder die alarm slaat, de school die ziet dat het misgaat en de jongere die na een traumatische gebeurtenis verandert.

Gooi het systeem op de schop

Ik maak mij zorgen over de hardheid van onze maatschappij. Over hoe gemakkelijk wij jongeren afschrijven en hoe weinig geduld wij hebben voor het verhaal achter hun gedrag. Over hoe snel wij roepen dat iemand moet worden opgesloten en hoe weinig belangstelling er daarna nog is voor wat er achter die deur gebeurt. Al jaren is het niet op orde. Al jaren zijn er waarschuwingen. Al jaren weten we dat jongeren te laat hulp krijgen, dat instellingen met tekorten kampen en dat professionals onvoldoende middelen hebben om te doen wat wij van hen vragen. Dan is nóg een plan, nóg een tijdelijke maatregel en nóg een dashboard niet genoeg.

Gooi dit systeem op de schop en luister echt eens naar de jongeren, ouders en professionals die al jaren vertellen wat er misgaat. Investeer vóórdat een jongere dader wordt, behandel wanneer hij is opgesloten en zorg dat hij met perspectief terugkeert. De deur dichtdoen is eenvoudig. Ervoor zorgen dat iemand daarna veiliger naar buiten komt, dát is pas bescherming van de maatschappij.

Geschreven door Wendy Kops

Mijn naam is Wendy, een creatieve ADHD’er, eigenaresse van Bibelaz en werkte als docente in de jeugddetentie. Ik volg momenteel de post-hbo opleiding tot psychosociaal therapeut. In mijn dagelijks werk én persoonlijke leven raak ik gefascineerd door de wisselwerking tussen psyche, gedrag en (onverwerkte) ervaringen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *